Welkom

Op de website van Factor70.nl Hét platform voor de 70+ vrouw van nu.

Regio

Wil je de landelijke of regionale rubrieken bekijken? Kies rechtsbovenin de gewenste regio.

Zoeken

Kun je iets niet vinden? Zoek dan met de knop onderin.

Veel leesplezier

Wil je graag op de hoogte worden gehouden? Schrijf je dan in voor de nieuwsbrief.

Ineke Swanevelt

Ineke Swanevelt (75) geboren in hartje oorlog, hartje Rotterdam, wil als kind al naar het toneel. Als 20-jarige studeert ze af aan de Amsterdamse toneelschool. Na een korte carrière bij de Nederlandse Comedie verblijft ze drie decennia met haar man in het buitenland. Sinds twee jaar is ze weduwe na 44 jaar gelukkig samen zijn. Ze pakt haar leven weer op, als actrice. Daarnaast is schrijven haar grote passie. Voor Factor70 schrijft ze tweewekelijks een column.

De natuur

Ik ben geboren in een Rotterdamse wijk die de Insectenbuurt heette. De straten waarin ik knikkerde, touwtje sprong, op mijn autoped jakkerde, waren vernoemd naar krekels, meikevers, libellen. Voor mij als kind woorden zonder beeld of betekenis. De natuur stond sowieso heel ver weg, Nergens was een boom, perkje of bloem te bekennen. In de huizen met drie etages, probeerden de volwassenen het na de oorlog zo gezellig mogelijk te maken. Ze gingen veel en lacherig bij elkaar op bezoek. Ik moest me zelf zien te vermaken. Toen ik tien jaar was schreef mijn moeder me in voor de padvinderij, ik werd ‘kabouter’ en droeg een diarree kleurig pakje. Iedere zaterdagmiddag fietste ik naar een clubhuis op de Kralingse weg om met leeftijdgenoten spelletjes te doen. Ik vond het verschrikkelijk. Als enig kind was ik niet gewend met anderen te communiceren, daarom deed mijn moeder me ook op padvinderij. Ik ging met een groep mede-‘kabouters’en twee akela’s, een weekend op reis. Uitgewuifd door ouders, (mijn vader was er niet bij) reden we met een bus naar de Veluwe en kwamen aan bij een laag houten gebouw. Overal rondom hoge bomen. Ruisende stilte. Ik was verrukt, mijn eerste bad in de natuur. Totale onderdompeling.
We moesten meehelpen met grote pannen aardappelen te schillen, al gauw glipte ik met een smoesje naar buiten om de geur van het groen te snuiven, op krakende takjes te stappen, de zon tussen stammen te zien verdwijnen. ’s Nachts sliep ik op een zaal met twintig meisjes, deed geen oog dicht. In alle vroegte sloop ik weer weg door het bruine gebouw en luisterde stokstijf naar vogels die ik nooit eerder had horen zingen.
Nu, ruim zestig jaar later, loop ik weer door de natuur, andere bomen, andere vogels. Ik sta weer stil, net zo verrukt als toen. Mijn geliefde zegt: ‘Je kijkt alsof je in je in het Rijksmuseum staat.’ We glimlachen en lopen verder.